Energiebeleidsovereenkomsten 2026-2030
Advies Klimaat en Energie
Samenvatting
- Adviesdatum
- 17 jul 2026
- Productnummer
- 2026-018
Het evaluatierapport beschouwt de energiebeleidsovereenkomsten als een waardevol instrument dat heeft bijgedragen aan energiebeheer, investeringsbeslissingen en energiebesparing. Voor een vervolg op de EBO 2023-2026 vraagt de Raad een gerichte versterking van het instrument. Daarbij moet een evenwicht worden gevonden tussen, enerzijds, een voldoende aantrekkelijk en werkbaar kader voor deelnemende ondernemingen en, anderzijds, de nood aan aantoonbare additionaliteit en beleidsmatige meerwaarde.
De Raad vraagt daarom om duidelijker te monitoren welke bijkomende energiebesparingen, emissiereducties en publieke tegenprestaties effectief aan de EBO kunnen worden toegeschreven. Tegelijk moet worden vermeden dat deelname wordt ontmoedigd door disproportionele verplichtingen, onnodige complexiteit of dubbele rapportering. Een volgende EBO moet daarom voldoende ambitieus blijven om ondernemingen aan te zetten tot maatregelen die verder gaan dan wat vandaag al wettelijk verplicht is. De Minaraad beveelt aan om de EBO inhoudelijk te verbreden van energie-efficiëntie naar klimaatneutraliteit. Een complementair klimaatluik kan de additionaliteit van het instrument opnieuw versterken en beter aansluiten bij de Europese en Vlaamse klimaat- en industrie-transitieagenda. Dat klimaatluik moet ondernemingen aanzetten tot maatregelen rond decarbonisatie, elektrificatie, hernieuwbare energie, benutting van restenergie, CO₂-reductie en andere structurele klimaat- en milieu-investeringen. De uitbreiding moet coherent en administratief beheersbaar worden vormgegeven, met een klimaataudit, klimaatplan, heldere kernindicatoren, verificatie en rapportering als gemeenschappelijke ruggengraat.
De Raad stelt vast dat de huidige vormgeving van de EBO’s in belangrijke mate steunt op voordelen die historisch gericht zijn op het verlagen van de operationele energiekosten, waaronder in het bijzonder de korting op de aardgasfactuur. Hoewel deze prikkel bijdraagt aan de competitiviteit van bepaalde energie‑intensieve ondernemingen op korte termijn, is zij onvoldoende in lijn met de langetermijndoelstelling van klimaatneutraliteit tegen 2050 en de noodzakelijke transitie weg van fossiele brandstoffen. De raadspartners verschillen echter onderling van mening over de voorwaarden waaronder er meer congruentie kan bekomen worden tussen het instrument enerzijds en anderzijds de klimaatdoelstellingen.
Verder vraagt de Minaraad om het klimaatluik te ondersteunen met robuuste klimaat-roadmaps. Die roadmaps moeten evolueren tot geloofwaardige sturingsinstrumenten met concrete doelstellingen, een doorkijk naar 2050, aansluiting bij de Klimaatsprong en aandacht voor systeemgerichte oplossingen zoals energiehubs, flexibiliteit, gedeelde infrastructuur, restwarmte en CO₂-valorisatie. Ook de rendabiliteitsbeoordeling moet beter rekening houden met de maatschappelijke waarde van vermeden emissies en met het langetermijnkarakter van klimaatgerichte investeringen.
De Raad beveelt daarnaast aan om meer maatwerk mogelijk te maken. Een generiek EBO-kader sluit niet voor alle sectoren even goed aan bij de eigen energie-, productie- en investeringslogica. Daarom moet een toekomstige EBO ruimte bieden voor sectorspecifieke invullingen en incentives, onder meer voor atypische doelgroepen zoals glastuinbouw, ziekenhuizen en energieproducenten.
Tot slot vraagt de Minaraad een robuuster EBO-kader, waarin consequente handhaving wordt gecombineerd met flexibiliteit, evaluatie en sociale begeleiding. Niet-naleving moet worden aangepakt via een duidelijk escalatie-pad, met remediëring, tijdelijke schorsing of uitsluiting waar nodig. Laattijdige of minimale naleving mag het gelijke speelveld niet ondergraven. De Raad vraagt ook om substitutie van maatregelen mogelijk te maken wanneer geplande maatregelen niet langer haalbaar of rendabel zijn, op voorwaarde dat het effect minstens gelijkwaardig blijft. Een langere looptijd, met tussentijdse evaluatiemomenten en bijsturing, moet ondernemingen bovendien meer investeringszekerheid bieden voor kapitaalintensieve klimaattransitieprojecten. Daarnaast vraagt de Raad structureel overleg over de sociale impact van de EBO en tijdige ondersteuning van werknemers via opleiding, omscholing, reconversie en aandacht voor werkbaar en veilig werk.
Een hervormde EBO moet zo uitgroeien tot een geïntegreerd energie- en klimaatinstrument dat additionaliteit, eenvoud, transparantie en deelnamebereidheid combineert. Alleen wanneer de publieke tegenprestaties, de reële emissiereducties en de administratieve lasten duidelijk in beeld zijn, kan de EBO ook in een volgende cyclus haar rol blijven spelen als hefboom voor een competitieve en koolstofneutrale Vlaamse industrie.
Coördinator
| : Naam |
|
|---|---|
| : Functie | adviseur (klimaat- en energiebeleid) |
| : Organisatie | Minaraad |
| : E-mailadres | stefanie.corens@minaraad.be |
| : Telefoon | 02 558 01 32 |