De Stroomgebiedbeheerplannen 2016-2021 (met SALV en SERV)

Advies Klassiek milieubeleid

Samenvatting

Adviesdatum
18 dec 2014
Productnummer
2014-041

Algemeen stellen de Raden vast dat rekening werd gehouden met een aantal opmerkingen uit hun advies over de eerste generatie stroomgebiedbeheerplannen (SGBP). De Raden vragen wel meer duidelijkheid omtrent het voornemen inzake waterbeleid uit het Pact 2020.

Afstemming. De Raden suggereren om, in overleg met de federale overheid, te onderzoeken of en welke instrumenten in het kader van een productbeleid kunnen ingezet worden om verspreiding van stoffen in het milieu te voorkomen. Ze vragen ook meer afstemming binnen de stroomgebieddistricten, bijvoorbeeld inzake de toestandbeoordeling en de kwantitatieve problematiek van grensoverschrijdende waterlichamen.

Bindendheid. De Raden vragen dat cruciale delen van de SGBP effectief bindend worden verklaard door de Vlaamse Regering, en vragen om op die manier ook de GUP’s bindend te maken voor de gemeenten. Indien er geen feitelijk bindende verklaring zou volgen, dan verzwakt dat het organisatorische en coördinerende karakter van de SGBP.

Ruimtelijk beleid. De Raden missen een interactie van de SGBP met het ruimtelijk beleid. Specifiek ontbreekt het "vasthouden" van water in het stedelijk gebied.

Gevoerde proces. De Raden appreciëren de communicatie-initiatieven van de CIW, maar stellen tegelijk dat ze wellicht te hoogdrempelig waren en er te weinig rekening gehouden werd met de lokale stakeholders en met diversificatie naar doelgroep.

Het niet bereiken van de goede toestand. De Raden stellen vast dat in 2015 voor geen enkel Vlaams waterlichaam de goede toestand werd bereikt en dat deze in 2021 waarschijnlijk ook niet overal bereikt zal worden.

Meer is mogelijk. Het model dat voor de beoordeling gebruikt werd door de CIW, leidt er, zelfs in het maximale scenario, toe dat slechts 60% van de waterlopen in goede toestand zal zijn in 2021. Dit impliceert dat het "maximale scenario" niet de juiste of onvoldoende maatregelen bevat om de goede toestand te bereiken. De Raden menen bovendien dat de gehanteerde toetsing in de SGBP de verkeerde relatie in beeld brengt. Bovendien is door een betere inzet van de kosten-efficiëntie-beoordelingen van maatregelenpakketten – in het bijzonder binnen het scenario “regulier” - een hoger doelbereik in de planperiode mogelijk.

Eventueel verminderde doelstellingen juridisch te onderbouwen. De Raden wijzen ook op de interactie van die vaststellingen met de evaluatie van de Kaderrichtlijn in 2019 door de Europese Commissie. Ook de onderbouwing voor de mogelijkheid van verminderde doelstellingen zou nu al op een juridisch correcte manier voorbereid moeten worden.

Fosfor is de belangrijkste probleemparameter. Voor de industrie vragen de Raden om na te gaan welke bijkomende proportionele maatregelen eventueel nog kunnen gerealiseerd worden. Voor huishoudens lijkt de uitbouw van de saneringsinfrastructuur in veel gevallen een kosteneffectieve maatregel, waarbij aandacht nodig is voor P-verwijdering. Voor de landbouw vallen de mogelijke maatregelen onder bemesting of onder het voorkomen van afspoeling. Wat het eerste betreft zouden de Raden het vanuit governance oogpunt logisch vinden dat de nodige maatregelen in het MAP worden opgenomen. Maar de organisaties binnen de Raden hebben tegenstrijdige meningen over de vraag in hoeverre dit nu gebeurt. Aangaande maatregelen tegen afspoeling kan nog veel vooruitgang geboekt worden. Het is echter ook wenselijk om het erosiebeleid meer geïntegreerd aan te pakken en af te stemmen met het ruime water- en bodembeleid. De lange doorwerktijd van landbouwmaatregelen moet in rekening worden gebracht bij de verwachte resultaten van de modellen, maar het betekent volgens de Raden dat de reeds lopende maatregelen nu zeker moeten verder gezet worden en dat er snel met de eventueel gewijzigde (MAP5) en bijkomende maatregelen moet begonnen worden.

Instandhoudingsdoelstellingen. De Raden bevelen aan om de resultaten van het IHD-proces integraal ter harte te nemen door de goedgekeurde instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten te integreren in het regulier scenario en bij de acties duidelijk te maken wie de trekker is en waar het budget is gereserveerd.

Oeverzones en overstromingsgebieden. Omtrent de oeverzoneprojecten vragen de Raden dat het beoogde besluit spoedig wordt uitgewerkt. Wat overstromingsgebieden aangaat vragen de Raden een snelle operationalisering van het voornemen om de protectiemaatregelen te bekijken in gebiedsgerichte integrale projecten. Met betrekking tot de aanduiding van sterk veranderde waterlichamen vragen ze om kritisch te beoordelen én te motiveren of het nuttig doel werkelijk een onoverkomelijk obstakel vormt voor het bereiken van de goede ecologische toestand.

Herstelprogramma's grondwaterlagen. De Raden onderschrijvende beleidskeuze om te werken met herstelprogramma’s maar wijzen erop dat de afbouw van winning uit bepaalde grondwaterlagen voldoende voorspelbaar moet zijn, gepaard moet gaan met flankerende maatregelen en voorbereid dient te worden in overleg met de betrokkenen.

Maatregelenprogramma: basis- versus aanvullend beleid. Het maatregelenprogramma maakt onderscheid tussen “beslist” beleid en bijkomende maatregelen. De Raden geven evenwel de voorkeur aan een opdeling in basis- en aanvullende maatregelen zoals bepaald in de Kaderrichtlijn. Indien daarentegen toch alle maatregelen als "aanvullend" worden beschouwd dan moeten alle maatregelen tegenover elkaar afgewogen worden, dus ook de maatregelen “beslist” beleid, wat nu niet gebeurde.

Maatregelenprogramma: generiek versus gebiedsgericht. De Raden zijn voorstander van een gebieds- en doelgerichte aanpak, maar hebben bedenkingen bij de focus op speerpunt- en aandachtsgebieden. Ten eerste hebben ze vragen bij de werkelijke prioritering in deze gebieden en ten tweede lijkt deze aanpak niet de meest kostenefficiënte. De Raden zijn voorstander van een gebiedsgerichte aanpak op een tweeledige manier. In de gebieden met de kleinste doelafstand, de zogenaamde speerpuntgebieden, moet vooral ingezet worden op hydromorfologische maatregelen, omdat deze aanpak win-wins toelaat met vb. Natura 2000 en schade door overstromingen kunnen beperkt worden. Emissiereductiemaatregelen dienen daarnaast ook gebiedsgericht gescreend te worden aan de hand van het milieukostenmodel met als doel de inzet van de meest kosteneffectieve maatregelen in functie van de richtlijnen. Tegelijk moet ook gefocust worden op probleemparameters zoals fosfor.

Maatregelenprogramma: prioritaire stoffen. De Raden wijzen er op dat het aandeel van industriële puntlozingen voor nagenoeg alle prioritaire stoffen ingrijpend is verminderd en in vele gevallen slechts nog in zeer beperkte mate bijdraagt  tot de totale emissie van deze stoffen in Vlaanderen. Het is dan ook aangewezen om eerder op aanvullende maatregelen voor andere bronnen, in het bijzonder voor diffuse bronnen, te richten.

Maatregelenprogramma: kostenefficiëntie. Wegens de grote uitdagingen en de beperkte (extra) middelen is kostenefficiëntie een cruciaal criterium bij de opmaak van het maatregelenprogramma . De Raden vragen dan ook verduidelijking over het niet weerhouden van sommige kosteneffectieve maatregelen en over de criteria om te opteren voor duurdere maatregelen. In sommige gebieden mag een voorkeur voor kosteneffectieve maatregelen boven de uitbouw van niet-prioritaire saneringsinfrastructuur niet uitgesloten worden. De afweging van maatregelen moet ook over de maatregelenpakketten heen gebeuren en bij bestaande maatregelen moet gestreefd worden naar efficiëntiewinsten.

Financieringsvoorstel onduidelijk. Tegenover de zeer grote uitdaging om de goede toestand te behalen staan beperkte middelen. Nog heel wat maatregelen en acties uit het vorig plan wachten op uitvoering omwille van ontoereikende middelen. Specifiek met betrekking tot het Sigmaplan is de tijdige uitvoering van maatregelen en acties noodzakelijk. De Raden vinden de voorstelling van de budgetten van de verschillende scenario’s onduidelijk. Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen redelijkheid en haalbaarheid van maatregelen. Het uitgangspunt om redelijkheid te beoordelen is de afweging van de kosten tegenover de baten. Wie de maatregelen of actie moet betalen is hier (nog) niet relevant. Indien kosteneffectieve maatregelen de haalbaarheid voor bepaalde doelgroepen in het gedrang brengen, dan moeten er sociale en economische correcties uitgewerkt worden om de meest kosteneffectieve maatregelen daadwerkelijk te realiseren. De Raden formuleren bezwaren bij de onderbouwing van de haalbaarheidscriteria. Ook bij de verdeling van de kosten van de overheid hebben ze vragen, net zoals bij het gegeven dat niet alle kosten voor de doelgroepen in rekening zijn gebracht. Ze betreuren dat conclusies worden getrokken over de haalbaarheid van de verschillende scenario’s voor de doelgroepen op basis van illustratieve cijfers.

Langetermijnvisie financiering. De Raden dringen tenslotte aan op een maatschappelijk debat over de financiering en de kostendoorrekening van de maatregelen. Ze verwijzen hierbij naar de lange termijnvisie over de financiering van het waterbeleid die is aangekondigd in het Vlaams regeerakkoord. De Raden vragen uitdrukkelijk om hierbij in een vroege fase betrokken te worden.

Coördinator
: Naam Dirk Uyttendaele
: Functie adviseur (waterbeleid en lokaal milieubeleid)
: Organisatie Minaraad

Co-auteur(s)
: Naam LinkedIn profiel van Annick Lamote Annick Lamote
: Functie Attaché
: Organisatie SERV
: E-mailadres alamote@serv.be
: Telefoon 02 209 01 11


Downloads

De Stroomgebiedbeheerplannen 2016-2021

Download application/pdf 580.6 KB