02 feb Elektronische nieuwsbrief 2010|1
Vastgestelde adviezen
Actieplannen omgevingslawaai
De Europese Omgevingslawaairichtlijn ligt aan de basis van de voorontwerpen van Vlaamse actieplannen om omgevingslawaai van wegverkeer, spoorwegverkeer en van de luchthaven Brussels Airport te beheersen. De Minaraad heeft bij deze voorontwerpen verschillende bedenkingen.
De Raad begrijpt niet dat de referentiewaarden voor het omgevingslawaai van wegverkeer en spoorwegverkeer om redenen van vertrouwelijkheid niet opgenomen zijn in de actieplannen. Die referentiewaarden zijn immers nodig als toetsingswaarde van het gemeten omgevingslawaai. Hij pleit ook voor geluidsbelastingsindicatoren die niet alleen op een gemiddelde waarde gebaseerd zijn, en hij wenst volwaardige normen in VLAREM.
De Raad rekent erop dat het instrumentarium van de ruimtelijke ordening inzetbaar zal zijn voor het bereiken van de milieudoelstellingen.
De Minaraad wijst erop dat het niet duidelijk is hoe groot de budgettaire ruimte voor de maatregelen is. Hij is er eveneens van overtuigd dat de voorliggende actieplannen niet zullen volstaan om aan de strategische doelstellingen van de beleidsnota leefmilieu en natuur te voldoen.
Specifiek over het Actieplan Wegverkeerslawaai steunt de Raad zich op MIRA om te stellen dat het lopende beleid onvoldoende is om de doelstellingen te halen. Hij begrijpt niet waarom ingrepen op de wegverkeersnelheid niet weerhouden zijn als maatregel tegen geluidshinder. En ten slotte vraagt de Raad ook verduidelijking over de financiering van de investeringen 2011-2012, indien de kilometerheffing pas in 2013 wordt ingevoerd.
De Raad verwacht om al deze redenen en omwille van de lopende studies een fundamentele bijsturing van de actieplannen.
De Minaraad keurde het advies unaniem goed op 28 januari 2010.
Milieukwaliteitsnormen voor water
De SAR Minaraad, SALV en SERV zijn globaal positief over de aanpak voor het invoeren van milieukwaliteitsnormen. Ze spreken ook hun appreciatie uit voor de inspanningen die geleverd zijn om de milieukwaliteitsnormen en de impact van hun invoering te onderbouwen en aan te leveren. Toch hebben zij nog enkele opmerkingen.
De raden vragen zich af of de invoering van de milieukwaliteitsnormen als richtwaarden (en niet als grenswaarden) wel tegemoet komt aan de definitie van milieukwaliteitsnorm in de Kaderrichtlijn Water. Zij stellen ook vast dat er geen normen voor hydromorfologie vastgelegd zijn en dat dit snel moet gebeuren. Wat voorligt zou immers een onvolledige implementatie van de Kaderrichtlijn Water inhouden.
Ook herhalen de raden de vraag om te streven naar gelijke normen, op het relevante beleidsniveau, op basis van wetenschappelijke consensus. Om een voldoende draagvlak te creëren voor de wetenschappelijke onderbouwing en monitoring vragen zij hierover heldere communicatie over die wetenschappelijke onderbouwing en motivering.
Mocht uit voorgaande blijken dat de uitwerking onvolledig of niet onderzocht is, dan moet dit leiden tot bijkomend onderzoek. De wetenschappelijk onderbouwde informatie die daaruit voortvloeit, kan aanleiding geven tot de wijziging van normen of indelingscriteria. De raden vragen dat er hiervoor een procedure ontwikkeld wordt, waarbij ook stakeholders input kunnen geven.
Ze vragen om werk te maken van de economische onderbouwing van de maatregelen, ten einde in het volgende stroomgebiedbeheerplannen onderbouwde uitspraken te kunnen doen over de disproportionaliteit van kosten. Zij dringen ook aan om deze socio-economische impact in de toekomst voor dergelijke dossiers (met een grote socio-economische impact) in beeld te brengen.
De raden zijn er ten slotte voorstander van om de afweging tussen ecologische draagkracht van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam en Best Beschikbare Technieken in het besluit te verankeren - ook voor de niet gevaarlijke stoffen.
De SAR Minaraad keurde het gezamenlijke advies unaniem goed op 28 februari 2010. De SERV en de SALV volgden op 29 februari 2010.
Omzetting Europese Overstromingsrichtlijn
Het Vlaamse Gewest kiest ervoor om de omzetting van de overstromingsrichtlijn te integreren in het decreet Integraal Waterbeleid. SERV en SAR Minaraad vinden dit positief. Naast de integratie op niveau van wetgeving wordt ook gekozen voor integratie op niveau van uitvoering, meer bepaald voor wat de opmaak van plannen betreft. Er wordt voorgesteld om de overstromingsrisicobeheerplannen te integreren in de stroomgebiedbeheerplannen. SERV en SAR Minaraad vinden het positief dat de integratie ook doorgetrokken wordt op deze andere niveaus.
De Vlaamse Regering kiest ervoor om de fase van voorlopige overstromingsbeoordeling over te slaan. De raden treden deze beslissing bij omdat er al veel voorbereidend werk verricht is.
Ten slotte vragen de SAR Minaraad en SERV om tijdig aan de voorbereiding van milieukwantiteitsdoelstellingen voor oppervlaktewater te beginnen en de doelgroepen daarbij te betrekken.
De SAR Minaraad keurde het gezamenlijke advies unaniem goed op 28 januari 2010. De SERV volgde op 29 januari 2010.
GGO-besluiten
Ter uitvoering van het co-existentiedecreet voor genetische gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische gewassen wil de Vlaamse Regering twee uitvoeringsbesluiten vaststellen. Het ene besluit moet vooral de werkbaarheid van de algemene co-existentieregeling garanderen, terwijl het tweede besluit de teeltspecifieke voorwaarden vastlegt voor de co-existentie van maïsgewassen. De teelt van maïsgewassen is namelijk de enige teelt van genetisch gewijzigde gewassen die voorlopig in Europa toegelaten wordt.
SALV en SAR Minaraad vinden het positief dat de Vlaamse Regering met deze besluiten streeft naar een regeling die voor alle betrokkenen een aanvaardbare co-existentie van gewassen moet garanderen. De raden bevelen de overheid aan om het voorkomen van vermenging te beschouwen als een punt van aandacht, opvolging en evaluatie.
De doelstelling van de regelgeving is dan het voorkomen van economische schade en het regelen ervan als het toch voorvalt. De raden stellen daarbij vast dat aan een aantal artikels uit het co-existentiedecreet - zoals het reserveren van zones die vrij zijn van GGG's - geen uitvoering wordt gegeven. Bovendien zijn er nog andere vormen van schade (bv. ecologische) mogelijk dan louter economische. Deze schade valt buiten de huidige regelgeving en het Milieuschadedecreet schept alleen een aangepast aansprakelijkheidsregime voor ecologische schade aan habitats en soorten die beschermd worden door de Habitat- en Vogelrichtlijn. SAR Minaraad en SALV uiten hierover hun bezorgdheid en vragen deze problematiek te bestuderen en gepaste oplossingen te voorzien, indien nodig.
De raden gaan ook dieper in op de bepalingen van elk uitvoeringsbesluit, onder meer op de vaststelling van de economische schade en de schadevergoedingsregel, het register dat de GGG-teelten moet bijhouden, het ontbreken van een beroepsprocedure bij de bestuurlijke geldboete, de wijze van staalname en analyse bij schadeclaims, en ten slotte de administratieve bepalingen en technische teeltvoorwaarden zelf voor maïsgewassen.
De SAR Minaraad keurde het gezamenlijk advies unaniem goed op 28 januari 2010. De SALV deed dit op 29 januari 2010.
Consensusvoorstel jacht in WBE Damme-Oostkust
Hoewel de beslissingstermijn van de minister (3 maanden) al verstreken is, vindt de SAR Minaraad het toch belangrijk om het consensusvoorstel voor de jacht in het vogelrijk gebied Oostkustpolders - onderdeel Damme-Oostkust te adviseren. De Raad beveelt de Vlaamse Regering aan om toch nog een expliciete beslissing te nemen om ter plaatse rechtszekerheid te creëren.
De SAR Minaraad vindt de ingediende voorstellen, voor zover ze eenduidig begrepen kunnen worden, plausibel en adviseert positief over het consensusvoorstel. In de toekomst moeten dergelijke voorstellen opgemaakt worden aan de hand van het bij ministerieel besluit vastgestelde formulier om aanvaardbaar te zijn.
De bewuste “Oostkustpolders” in Vlaanderen vormen de belangrijkste overwinteringsplaats voor internationaal beschermingswaardige ganzen. De daarin afgebakende vogelrijke gebieden maken slechts een 15% uit van deze “Oostkustpolders”. In dat opzicht is het relevant en positief dat er voorzien wordt in een aankondiging van jachtdata en in een jaarlijkse evaluatie. De Raad beveelt aan deze voorwaarden in te schrijven in het ministerieel besluit dat de jachtopschorting van (dit deel van) het vogelrijk gebied zou opheffen. Van de betrokken partijen verwacht de Raad dat ze de evaluaties met zorg en in onderling overleg doorvoeren.
Ten slotte vraagt de SAR Minaraad om de goedgekeurde maatregelen in overeenstemming te brengen met de instandhoudingsdoelstellingen van het Vogelrichtlijngebied, van zodra deze vastgesteld zijn en er strijdigheden zouden opduiken.
De SAR Minaraad keurde het advies unaniem goed op 28 januari 2010.
Reparatiebesluit energiepremies
De Vlaamse Regering neemt zich voor om via een reparatiebesluit enkele administratieve knelpunten op te lossen bij de energiepremies. De SAR Minaraad en de SERV waarderen het dat er in het ontwerpbesluit tegemoet wordt gekomen aan enkele knelpunten, die de raden voorspeld hadden. Toch menen zij dat ook de voorgestelde nieuwe procedure niet voldoet. De regeling blijft onnodig complex en geeft slechts voor een beperkte doelgroep - de beschermde afnemers die werken met een erkende aannemer - een beperkte administratieve vereenvoudiging. De raden suggereren om de diverse premies door één instantie te laten uitbetalen, en aldus een daadwerkelijk uniek loket te implementeren.
Verder vragen de raden om ad hoc aanpassingen aan de regelgeving zoveel mogelijk te vermijden, door op korte termijn werk te maken van een grondige evaluatie en een meer fundamentele verbetering van de effectiviteit en efficiëntie van de energiepremies. Dit gebeurt idealiter op basis van een conceptnota, zodat de raden reeds in een vroeg stadium hun inbreng kunnen doen.
De SAR Minaraad keurde het gezamenlijke briefadvies unaniem goed op 28 januari 2010. De SERV volgde op 29 januari 2010.
Voorbereiding nieuw Materialendecreet
De Vlaamse overheid maakt momenteel werk van een Materialendecreet (als opvolger van het Afvalstoffendecreet) en een aanpassing van Vlarea. De SAR Minaraad en de SERV hebben besloten om hun visie in een vroeg stadium kenbaar te maken. De raden scharen zich achter het uitgangspunt van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen dat de regelgeving van de Lidstaten voor afvalstoffen moet uitgaan van de hele levenscyclus van materialen. Het toepassingsgebied van het komende Materialendecreet moet dus evolueren van het zo milieuvriendelijk mogelijk beheren van afvalstoffen, naar het tegengaan van de uitputting van hulpbronnen en van de schadelijke gevolgen van materiaalgebruik.
Er wordt uitgegaan van een duidelijke afvalhiërarchie. In de eerste plaats moet de preventie van afvalstoffen bevorderd worden, op de tweede plaats het hergebruik, daarna recyclage van afvalstoffen en het inzetten van materialen in gesloten materiaalkringlopen. Op de vierde plaats komen andere vormen van nuttige toepassing van afvalstoffen. De verwijdering van afvalstoffen - waarbij storten de laatste optie is – sluit de hiërarchie af.
De raden noteren dat er van de hiërarchie zou afgeweken kunnen worden indien dit op grond van het levenscyclusdenken gerechtvaardigd is. De Vlaamse Regering verleent deze afwijking op advies van de OVAM, die zich daartoe laat bijstaan door een overlegplatform. De uitwerking van een toetsingskader en de samenstelling van het overlegplatform zijn heel belangrijk voor de SERV en de SAR Minaraad. Om verspilling van geld, tijd en middelen te vermijden, is het volgens de raden aangewezen dat er, voor de start van een concrete analyse van een afwijkingsvraag, nagegaan wordt of er voldoende maatschappelijk draagvlak is voor de uitgangspunten van analyse.
De SAR Minaraad en de SERV wijzen op een mogelijk bevoegdheidsvraagstuk in de relatie tussen de federale overheid en de gewesten. De federale overheid is immers bevoegd voor de normering van de eigenschappen van de producten die op de markt gebracht worden, terwijl de gewesten dat zijn voor de normering van het gebruik en verbruik van producten. Bij het opstellen van de uitvoeringsbesluiten zal de Vlaamse overheid heel goed rekening moeten houden met deze bevoegdheidsverdeling. Het materialenbeheer heeft ook een impact op verwante beleidsdomeinen zoals energie en economie. Daarom pleiten de raden ook voor de nodige afstemming met de betrokken administraties van die beleidsdomeinen op de verschillende bevoegdheidsniveaus.
Om afvaltoerisme tegen te gaan, vragen de raden om een passage op te nemen in het Materialendecreet die de harmonisatie van de gemeentelijke afvalbelasting aanmoedigt.
De SAR Minaraad keurde het gezamenlijke advies unaniem goed op 28 januari 2010. De SERV volgde op 29 januari 2010.
MBO elektriciteitsector
De SERV en SAR Minaraad ondersteunen het voornemen van de Vlaamse Regering om met de elektriciteitssector een milieubeleidsovereenkomst af te sluiten. De nieuwe overeenkomst zal naar verwachting effectief tot een verdere betekenisvolle reductie van de SO2- en NOx-emissies leiden. De raden herhalen niettemin een eerdere oproep om de stakeholders in een vroeger stadium te betrekken.
Het strategische doel van de MBO is de reductie van de NOx-emissie tot beneden het Vlaamse NEC-emissieplafond. Het effectief en efficiënt bereiken van deze reductie vormt voor de raden dan ook de uiteindelijke toetssteen voor het NEC-beleid en de daaraan gekoppelde maatregelen. Maar de elektriciteitssector is slechts goed voor 6% van het totale aantal NOx-emissies in Vlaanderen. De raden wijzen daarom op de noodzaak van een billijke en efficiënte bepaling en verdeling van de inspanningen tussen de maatschappelijke sectoren. Zo is de ontwikkeling van de NOx-emissies door het verkeer problematisch. Ook de evolutie van de NOx-emissies door WKK-installaties moet goed opgevolgd worden.
De MBO bevat relatieve plafonds voor NOx. De raden erkennen dat dit van belang is om te zorgen voor de nodige flexibiliteit. Dat neemt niet weg dat finaal ook de absolute emissies belangrijk blijven. De raden vragen ook dat de jaarlijkse rapportering en evaluatie betrekking zou hebben op de totale emissies en eventuele extra inspanningen op het niveau van de hele sector zou bekijken. Verder herhalen de SAR Minaraad en de SERV hun oproep naar meer monitoring, transparantie en evaluatie om gevolgen te kunnen koppelen aan een eventuele niet naleving van de MBO.
Voor de SO2 emissies vragen de raden verduidelijking over het in rekening brengen van bepaalde centrales. Het bijstellen van het plafond als nieuwkomers op de markt verschijnen, komt de transparantie van de MBO niet ten goede. De Raden vragen tevens waarborgen voor de grondige motivering en transparante communicatie van gelijkaardige wijzigingen.
Ten slotte is het voor de raden belangrijk dat er sterke stimulansen zijn voor onderzoek en innovatie, want nieuwe technieken kunnen de kostprijs van maatregelen laten dalen en daardoor de NEC-doelstellingen gemakkelijker of sneller bereikbaar maken.
De SAR Minaraad keurde het gezamenlijke advies unaniem goed op 28 januari 2010. De SERV deed dit op 29 januari 2010.
Adviezen in wording
Reservaat West-Vlaamse Scheldemeersen
De SAR Minaraad ontving op 15 januari 2010 de adviesvraag van het Agentschap voor Natuur en Bos over de aanwijzing van het Vlaamse natuurreservaat nr. V-143 “West-Vlaamse Scheldemeersen” te Avelgem en Spiere-Helkijn (West-Vlaanderen) en de goedkeuring van het beheerplan. Dit laatste slaat op de opportuniteit van aanwijzing van toekomstig te verwerven of te beheren percelen die liggen binnen de uitbreidingszone van het Vlaams natuurreservaat. Een advies wordt voorzien tegen de raadszitting van 25 februari 2010.
Uitbreiding werkingsgebied RL Zenne, Zuun, Zoniën
Het Agentschap voor Natuur en Bos vroeg de SAR Minaraad op 26 januari 2010 om advies over de aanvraag tot wijziging van het werkingsgebied van het Regionaal Landschap Zenne, Zuun, Zoniën (RLZZZ). Het betreft de toetreding van de gemeente Affligem en de uittreding van de gemeente Hoeilaart. De adviestermijn bedraagt 2 maanden. De SAR Minaraad voorziet een advies tegen de raadszitting van 25 februari 2010.
Mededelingen
Colloquium - Wat na Kopenhagen?
De SAR Minaraad organiseert een colloquium op dinsdag 9 februari 2010 (13u20-17u00) in de Solvay-Bibliotheek (Brussel). De centrale vraag van het colloquium is ‘Wat na Kopenhagen?’ Tijdens het colloquium polst de SAR Minaraad samen met enkele onderhandelaars en experts naar de gevolgen van de afspraken in Kopenhagen. De Raad probeert ook inzicht te krijgen in de toestand van de onderhandelingen na de Klimaattop en de daaruit voortvloeiende nieuwe intra-Europese of mondiale diplomatieke gesprekken.
Het colloquium is het eerste grote evenement van de SAR Minaraad, sinds hij in juni 2009 een strategische adviesraad werd. Tegelijk neemt de Raad afscheid van een boegbeeld: Hubert David. Hij vervulde achttien jaar lang een centrale rol in de Minaraad, eerst als ondervoorzitter (1991-2004) en later als voorzitter (2004-2009).
Inschrijven is niet meer mogelijk wegens volzet. U kan wel nog aangeven (per e-mail naar de contactpersoon) of u de link naar de elektronische presentaties en bijdragen wenst te ontvangen na afloop van het evenement.
Oproep voor kandidaten PWC's
De Vlaamse Regering gaat over tot de oprichting van permanente werkcommissies binnen de SAR Minaraad voor (1) het natuurbeleid, (2) het bosbeleid, (3) het jachtbeleid, (4) het binnenvisserijbeleid, (5) natuur- en milieueducatie en (6) duurzame ontwikkeling. De permanente werkcommissies zijn werkgroepen die rond bepaalde thema's werken en adviezen voorbereiden. Ze tellen elk 16 leden, acht daarvan worden door de Vlaamse Regering aangeduid op grond van specifieke deskundigheid en op grond van specifieke representativiteit voor het onderwerp dat in die permanente werkcommissie behandeld wordt. De overige acht worden voorgedragen door de SAR Minaraad zelf.
Meer informatie over het gezochte profiel vindt u in de advertentie die geldt als oproep tot kandidaatstelling voor de aanwijzing door de Vlaamse Regering.
Europese ontwikkelingen
Europees agentschap voor handhaving
Tijdens de bevestigingshoorzitting van de toekomstige eurocommissaris voor milieubeleid in het Europees Parlement, pleitte de Sloveen Janez Potocnik voor de oprichting van een speciaal Europees agentschap om de handhaving van de Europese milieuwetgeving te garanderen.
Hij legde ook de nadruk op het transversaal behandelen van milieuvraagstukken. Daarbij wil hij de eurocommissarissen van aanpalende bevoegdheden nauw betrekken bij zijn beleid.
Potocnik gaf ten slotte aan dat hij gedurende zijn ambtstermijn vooral werk wil maken van het efficiënt omspringen met grondstoffen, het terugdringen van het verlies aan biodiversiteit en de effectieve omzetting van de bestaande milieuregelgeving in de lidstaten.
Voor zijn ambitieuzeantwoorden oogstte hij verschillende malen applaus van de europarlementsleden. Meer informatie.
