05 mei Elektronische nieuwsbrief 2009|5
Vastgestelde adviezen
Erkenning RL De Voorkempen
Het Regionaal Landschap De Voorkempen is het eerste Antwerpse regionale landschap dat een voorlopige erkenning aanvraagt. Het werkingsgebied omvat stad Antwerpen en de gemeenten Brasschaat, Brecht, Kalmthout, Kapellen, Malle, Ranst, Schilde, Schoten, Stabroek, Wijnegem, Wommelgem, Wuustwezel, Zandhoven en Zoersel. De Minaraad adviseert positief en erkent dat het RL De Voorkempen al een grote stap heeft gezet in de volwaardige uitbouw van een regionaal landschap.
De Minaraad keurde het advies unaniem goed op 29 april 2009.
Wildschade en Graslandbesluit
Het ontwerpbesluit voor de vergoeding van wildschade die veroorzaakt wordt door niet-bejaagbaar wild, regelt ook de vergoeding van schade door beschermde soorten en verstrengt de bescherming van historische permanente graslanden. In de toelichtingsnota wordt echter enkel uitvoerig informatie verschaft over wildschade. Ook de RIA ontbreekt. De Raad betreurt deze twee vaststellingen.
In het algemeen staat de Raad positief tegenover een vlottere uitbetaling van de economische schade die niet-bejaagbare soorten veroorzaken als deze schade belangrijk is en niet voorkomen kon worden. De Raad heeft wel bedenkingen bij de zeer specifieke invulling van het begrip ‘belangrijke wildschade’. Dit leidt tot een zeer ongelijke behandeling van de gevallen waarin er wildschade is. Tevens wijst de Raad op het financiële aspect en formuleert hij diverse juridische bedenkingen. Hij wijst onder meer op de nadelen van de keuze voor een aansprakelijkheidsregeling.
De Raad vindt de voorgestelde uitbreiding van de schaderegeling naar beschermde soorten toe onvoldoende onderbouwd. Hij wijst onder meer op de verschillende decretale basis voor de twee regelingen (Jachtdecreet, Natuurdecreet). Bovendien is er de onduidelijkheid over wat verstaan kan worden onder beschermde soorten omdat het betreffende uitvoeringsbesluit nog niet goedgekeurd is. De Raad stelt ook vast dat het toepassingsgebied zeer sterk kan uitbreiden door deze regeling.
Ten slotte formuleert de Raad bedenkingen bij de wijzigingen aan de regeling van vegetatie en kleine landschapselementen. Hierbij benadrukt de Raad de nood aan een betere bescherming van historisch permanent grasland. De voorgestelde regeling is hiertoe volstrekt onvoldoende. De Raad dringt aan op een moratorium voor het scheuren van historisch permanent grasland in speciale beschermingszones zolang de instandhoudingsdoelstellingen en maatregelen voor deze gebieden niet definitief vastgesteld zijn. De Raad doet ook een aantal voorstellen voor de verbetering van de voorgestelde procedure.
De Minaraad keurde het advies goed op 29 april 2009. De Boerenbond onthield zich.
Wijziging energiepremies en openbaredienstverplichtingen
De Vlaamse Regering stelt voor om de regelgeving voor het toekennen van energiepremies te herzien. De Minaraad herhaalt echter zijn vraag om te komen tot een vereenvoudigd en coherent systeem van energiepremies en belastingkortingen.
Tegelijk wil de regering de REG-openbaredienstverplichtingen voor distributienetbeheerders verstrengen. Door de aanzienlijk besparingsoverdracht die de netbeheerders opgebouwd hebben, ontstaat het risico dat zij hun acties ten voordele van rationeel energiegebruik zouden verminderen of opschorten. Om dit te vermijden ziet de Minaraad twee pistes. Een eerste optie is, zoals het ontwerpbesluit voorstelt, het verhogen van de doelstelling. Het is evenwel niet duidelijk waarom 3,5% als doelstelling vooropgesteld wordt. Gezien de hoge besparingsoverschotten en de signalen uit de sector als zou een doelstelling van 6% mogelijk zijn. Daarom stelt de Raad voor een hogere doelstelling op te leggen. In principe zouden alle maatregelen genomen moeten worden die goedkoper zijn dan CDM-projecten. De tweede denkpiste bestaat erin om de resultaatsverbintenis van 3,5% als indicatief te beschouwen en te vervangen door actieverplichtingen voor de huishoudelijke afnemers waarbij de overheid in overleg met de netbeheerders de aard en hoogte van de toegekende REG-premies vastlegt.
De Minaraad vraagt rekenmodules die de evolutie van het verbruik weergeven, op te nemen in de openbaredienstverplichtingen van de netbeheerders. Hij wijst ook op de problematiek van de dag- en nachtmeter bij particulieren die beschikken over fotovoltaïsche cellen. De Raad stelt voor om hun meters eenmalig en gratis te vervangen door een enkelvoudige teller of een gelijkwaardig alternatief. Ten slotte herhaalt de Raad eerdere standpunten over de openbaredienstverplichtingen en over energiescans.
De Minaraad keurde het briefadvies goed op 29 april 2009. De SERV-partners onthielden zich.
Visiedocument geurhinder
Omdat ruim 15% van de bevolking last heeft van geurhinder, werkte de Vlaamse administratie een visiedocument uit over deze problematiek. De Minaraad geeft voor ingedeelde inrichtingen de voorkeur aan de beleidsopties 5 en 8. Voor bepaalde sectoren, waaronder de landbouwsector, wordt optie 3 ondersteund.
Optie 5 stelt voor om de gehanteerde geurstudie als bijzondere voorwaarde te uniformiseren en dit onder vorm van een geurbeheersplan en geuraudit. De Minaraad is voorstander om de inhoud en de procedure van een geuraudit en een geurbeheersplan in een code van goede praktijk te gieten en een erkenning voor deskundigen uit te werken. Voor bedrijven met een voorgeschiedenis die behoren tot bedrijfssectoren die kampen met ernstige en extreme geurhinder, is het tijdstip van de (her)vergunning volgens de Minaraad een goed moment om na te gaan of een geuraudit of een geurbeheersplan noodzakelijk is. De andere te volgen piste is het opleggen van een geuraudit of een geurbeheersplan bij gegronde, geregistreerde geurklachten.
De Minaraad is ook voorstander van het opstellen en juridisch verankeren van sectorale codes van goede praktijk (optie 8). De opname van de volledige code in Vlarem (of in de bijlagen) is niet gewenst omdat dit de flexibiliteit om de code aan te passen hypothekeert. De Raad verwacht wel dat de betrokken sectoren inspraak krijgen bij het opstellen van de codes. Bijkomende middelvoorschriften (optie 3) zijn een goede optie voor sectoren waar door middel van BBT-gerelateerde technieken de geuremissies kunnen worden teruggedrongen tot een aanvaardbaar niveau (bv. de landbouwsector). Om de geurlast van particuliere en andere niet-ingedeelde activiteiten te verminderen verkiest de Minaraad deel 6 van Vlarem II uit te breiden met een hoofdstuk 'beheersing van hinder door geur’.
Om de link met ruimtelijke ordening te versterken, opteert de Raad ten slotte voor het instrument 'milieuzonering' zodat de milieuhinderaspecten van hinderlijke inrichtingen beter in rekening kunnen gebracht worden bij het planologische besluitvormingsproces.
De Minaraad keurde het advies unaniem goed op 29 april 2009.
Adviezen in wording
MINA-plan 4
In november 2007 brachten SERV en Minaraad een gezamenlijk advies uit over de actualisatie van het MINA-plan 3 voor de periode 2008-2010. Daarin spraken de Raden zich uit over de bestuurskundige aspecten van de milieubeleidsplanning en wezen ze op het belang van een grondige voorbereiding van het MINA-plan 4. Hoewel het voorzien was dat de Minaraad hierover om advies zou gevraagd worden, ontving de Minaraad de startnota bij het MINA-plan 4 nog niet. Omdat de Minaraad het MINA-plan 4 heel belangrijk vindt, heeft hij besloten om niet langer te wachten op de adviesvraag en advies uit te brengen op eigen initiatief. De Raad bereidt het advies voor tegen de raadszitting van 19 mei 2009.
Duurzame recreatie
Tijdens een rondetafelgesprek in 2008 stelde de Minaraad vast dat de druk van toerisme en recreatie in het Vlaamse buitengebied de voorbije jaren sterk toegenomen is. Sindsdien werkt de Raad aan een advies op eigen initiatief waarin hij een aantal beleidssuggesties zal formuleren om de recreatiestromen beter in beeld te brengen en om de negatieve effecten van de druk op landbouw- en natuurgebieden tot een minimum te beperken. Het advies wordt voorbereid tegen de raadszitting van 19 mei 2009.
Stroomgebiedbeheersplannen
Het decreet Integraal Waterbeleid van 18 juli 2003 bepaalt dat de ontwerpen van de Stroomgebiedbeheerplannen (SGBP) van Schelde en Maas gedurende 6 maanden in openbaar onderzoek moeten gaan en voor advies moeten worden voorgelegd aan de Minaraad, de SERV, de SALV, de bekkenbesturen en de bekkenraden. Het openbaar onderzoek loopt van 16 december 2008 tot en met 15 juni 2009.
De Minaraad ontving op 12 december 2008 de adviesvraag van Frank Van Sevencoten, voorzitter van het CIW, over de ontwerpen van de stroomgebiedsbeheerplannen voor de Vlaamse delen van het stroomgebieddistrict van Schelde & Maas en het ontwerp van maatregelenprogramma voor Vlaanderen.
Minaraad, SERV en SALV streven naar een gezamenlijk advies op hoofdlijnen tegen de raadszitting van 19 mei 2009. Een informatieve, voorbereidende hoorzitting vond plaats op 16 april 2009.
Mededelingen
Verslag hoorzitting PWC's
Binnen de strategische adviesraad (SAR) Minaraad worden permanente werkcommissies (PWC’s) opgericht voor het natuurbeleid, het bosbeleid, het jachtbeleid, het binnenvisserijbeleid, het mestbeleid, het energiebeleid, het mobiliteitsbeleid, Natuur- en milieueducatie (NME) en duurzame ontwikkeling. Om de overgang vlot te laten verlopen bij de oprichting van de SAR Minaraad en om de laatste onduidelijkheden rond de oprichting en de werking van de PWC’s uit te klaren, organiseerde de Minaraad een hoorzitting op 19 maart 2009.
De presentaties van de sprekers en een uitgebreid verslag van het debat kan u intussen raadplegen op de website.
Europese ontwikkelingen
Evaluatie van geluidsplannen
De Geluidsrichtlijn uit 2002 legde de lidstaten op om geluidskaarten te maken, waarop te zien is welke regio's ernstig te lijden hebben onder geluidsoverlast ten gevolge van transport en industrie. De richtlijn verwachtte ook van de lidstaten dat ze tegen december 2008 actieplannen zouden uitwerken om geluidsoverlast aan te pakken. Maar enkel 14 van de 27 landen hebben al plannen overgemaakt aan de Commissie. Bovendien zijn er twee landen die zelfs nog geen geluidkaarten ingediend hebben.
De Europese Wegfederatie (ERF) waarschuwt de Europese lidstaten dat ze geld dreigen te verspillen aan ineffectieve maatregelen om geluidsproductie te reduceren. Om dit te vermijden moeten ze een harmonieuze methode ontwikkelen om de effectiviteit van de nationale actieplannen tegen geluidsoverlast na te gaan en te evalueren. Zonder een gemeenschappelijke methode zullen de evaluatierondes gebaseerd zijn op foute gegevens en resulteren in ineffectief of niet kostenefficiënt beleid. De bestaande nationale methoden om de geboekte vooruitgang te meten zijn immers gebrekkig. De kans bestaat dat de Europese Commissie volgend jaar een dergelijke methode zal ontwikkelen via de comitéprocedures van de EU. De Commissie zou ook de EU-wetgeving voor geluid willen herzien in 2011 en geluidsreductiedoelstellingen willen voorstellen. Het ERF-visiedocument.
